Dierproefnemers en anderen met aantoonbare belangen bij de voortzetting van dierproeven, beweren met de regelmaat van de klok dat dierproeven een noodzakelijk kwaad
zijn en, in bepaalde gevallen, onvervangbaar. In dit stuk wordt uiteengezet waarom dierproeven, als uiterst onbetrouwbare techniek bij onderzoek voor menselijke doeleinden, ook vanuit wetenschappelijk oogpunt absoluut onwenselijk zijn. De motieven voor deze claims moeten dan ook heel ergens anders gezocht worden.
Het overgrote merendeel (92%) van de kandidaatgeneesmiddelen die als veilig worden aangemerkt na dierproeven, wordt tijdens klinische studies op mensen alsnog afgekeurd vanwege schadelijkheid of een gebrek aan gunstige effecten(*1).
Van de medicijnen die wel worden toegelaten op de markt, wordt ruim de helft in een later stadium weer teruggehaald of krijgt (additionele) waarschuwingen op de labels en bijsluiters(*2).

Negatieve bijwerkingen van voorgeschreven medicijnen behoren daarnaast tot de voornaamste niet-natuurlijke doodsoorzaken in de Verenigde Staten en eisen daarbij jaarlijks meer levens dan diabetes, longaandoeningen, AIDS en verkeersongevallen(*3).
Ook in Groot Brittannië maken zogenaamde Adverse Drug Reactions elk jaar duizenden dodelijke slachtoffers en zijn verantwoordelijk voor miljoenen ziekenhuisopnames(*4).
Vergelijkbare cijfers zijn ook beschikbaar voor andere landen in de Westerse Wereld.
Al deze feiten wijzen uit dat je mensen niet kunt beschermen noch kunt genezen met experimenten op proefdieren, maar dat eerder het omgekeerde geldt. Er zijn meerdere cruciale redenen op grond waarvan valt aan te tonen dat proefdieronderzoek onbetrouwbare en misleidende resultaten oplevert die irrelevant en niet toepasbaar zijn op mensen.
Essentiële biologische verschillen
Onderzoek op volstrekt andere diersoorten is vanwege aanzienlijke anatomische, fysiologische en genetische verschillen, alsmede verschillen in het immuunsysteem, orgaanstructuur- en functie, metabolisme, chemische absorptie en de inherente gevoeligheid van celpopulaties voor gifstoffen, niet betrouwbaar in het verkrijgen van inzicht over de werking van het menselijk lichaam, het ontstaan van ziektes bij mensen en bijvoorbeeld de mogelijke schadelijk effecten van medicijnen binnen het menselijk biologisch systeem.
Deze verschillen gelden bovendien ook voor andere diersoorten onderling; ratten en honden bijvoorbeeld zijn biologisch gezien zeer verschillend en zelfs tussen ratten en muizen bestaan substantiële verschillen.
Hieronder een aantal voorbeelden:
- Kleinere diersoorten hebben, in verhouding tot grotere diersoorten, grotere organen, een kortere bloedcirculatie en een sneller metabolisme(*5).
- Verschillende diersoorten hebben verschillende stofwisselings-enzymen die verantwoordelijk zijn voor het afbreken van chemische stoffen in het lichaam. De (eind)producten die na deze afbraak ontstaan (metabolieten) kunnen zeer giftig zijn. Zo is het mogelijk dat een medicijn veilig lijkt bij testen op dieren, maar in mensen giftig blijkt door een metaboliet dat alleen geproduceerd wordt bij afbraak door mensspecifieke enzymen(*6).
- De anatomie van de darmen en de (mate van) aanwezigheid van diverse bacteriën varieert per diersoort en beïnvloed de absorptie van een geneesmiddel dat via het maagdarmstelsel het lichaam binnenkomt(*7).
Dergelijke verschillen kun je niet zomaar overbruggen met behulp van een rekensommetje (het zogenaamde extrapoleren
) om zo tot resultaten te komen die relevant zijn voor de menselijke situatie, zoals dierproefnemers graag beweren. Het gaat hier om complexe levende organismen met biologische systemen die wezenlijk van elkaar verschillen, niet om een simplistisch wiskundig probleem.
De afhankelijkheid van en het vertrouwen op data verkregen uit proefdieronderzoek als graadmeter voor toepassing op mensen leidt tot een zeer groot en onaanvaardbaar risico op onverwachte effecten en gebeurtenissen.
Onnatuurlijke opwekking van ziektes
Bij dierproefonderzoek worden menselijke ziektes (of beter gezegd; de symptomen daarvan) kunstmatig geïnduceerd in gezonde dieren; dit is geenszins te vergelijken met natuurlijk optredende (en vaak soortspecifieke) aandoeningen in de mens.
Het wordt vanzelfsprekend nogal lastig om een geneesmiddel te vinden voor een ziekte als je de ziekte zelf niet eens effectief kunt nabootsen.
In proefdieren worden ook zelden tot nooit meerdere ziektes tegelijk opgewekt noch worden ze op hetzelfde moment blootgesteld aan verschillende behandelmethodes en/of medicijnen. Dit is een zeer relevant gegeven aangezien dit wel geregeld voorkomt bij menselijke patiënten.

Decennialang zijn kandidaatmedicijnen voor de genezing of behandeling van kanker uitgetest op dieren waarbij menselijke tumoren zijn getransplanteerd. Desondanks bleek slechts een zeer klein aantal van de middelen die werkten bij dieren ook daadwerkelijk effectief voor mensen.
Veel belangrijker was echter nog dat, volgens het US National Cancer Institute, het merendeel van de medicijnen die wel effectief bleken bij mensen niet als zodanig werden geïdentificeerd in dierlijke modellen(*8).
Meer dan 4.000 studies zijn beschikbaar over de efficaciteit (de capaciteit om een bepaald effect te produceren) van ruim 700 kandidaatmedicijnen in dierlijke modellen van een herseninfarct (beroerte)(*9).
Slechts 150 van deze geneesmiddelen
bleken enigszins te werken in dieren; ze werden echter allemaal (dus zonder uitzondering) afgekeurd tijdens de klinische fase omdat er geen gunstige werking kon worden aangetoond in mensen(*10).
Impact van stress en angst
Allerlei praktijken die tot de (dagelijkse) routine in een proefdierlaboratorium behoren, zoals onder meer het vastpakken, verplaatsen en fysiek vastbinden van dieren, bloedafname, injecties en dwangvoeding, veroorzaken stress en angst. Doordat proefdieren vrijwel voortdurend onder stress en angst verkeren veranderd hun fysiologische staat, hetgeen weer van grote invloed is op de resultaten van experimenten die op hen worden uitgevoerd. Het gevolg is dat de betrouwbaarheid van de verkregen data nog verder gecompromitteerd wordt.
Onderzoek naar 80 gepubliceerde proefdierstudies wees uit dat routinematige laboratoriumprocedures veelzeggende fysiologische veranderingen veroorzaakten die worden geassocieerd met stress, zoals stijging van het cortisol-, prolactine- en groeihormoonniveau, verhoging van de hartslag en bloeddruk en abnormaal stereotype gedrag(*11).
Het is geen wonder dat onderzoeksresultaten hierdoor verder vertroebeld raken.
Homogeniteit van proefdieren
Het gegeven dat bij proefdieronderzoek doorgaans gebruik gemaakt wordt van homogene groepen maakt het gebruik van diermodellen nog minder representatief voor de grote variatie aan menselijke patiënten. Proefdieren die worden ingezet in specifieke studies hebben in de regel allemaal dezelfde afkomst, leeftijd en sekse. Het is bijvoorbeeld nog altijd gebruikelijk dat er geëxperimenteerd wordt op exclusief mannelijke ratten met dezelfde leeftijd en afkomstig van dezelfde fokker(*12).
Ondetecteerbare Bijwerkingen
Veel negatieve bijwerkingen (van uitgeteste chemicaliën of kandidaatmedicijnen bijvoorbeeld) zijn niet uitwendig zichtbaar of meetbaar en kunnen daardoor in dierexperimenten ook niet worden vastgesteld(*13).
Zo behoren kwalen als hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, vermoeidheid, depressie, verwarring en dubbelzicht tot de meest voorkomende negatieve neveneffecten van medicijnen, maar zijn er niet of nauwelijks mogelijkheden om deze in (proef)dieren te detecteren. Daar waar mensen (in bijvoorbeeld klinische studies) kunnen aangeven of ze hier last van hebben, kunnen we met dieren niet communiceren om hier achter te komen.
Conclusie
Bovenstaande punten wijzen er op dat dierproeven vanwege onoverbrugbare verschillen tussen mensen en andere diersoorten zeer slecht (of eigenlijk, in het geheel niet) in staat zijn om effectief iets te voorspellen of te leren over menselijke ziektebeelden en de mogelijke effecten van een behandeling daarvan met behulp van een specifiek geneesmiddel.
Des te meer omdat dierproeven plaatsvinden onder omstandigheden die totaal niet vergelijkbaar zijn met de natuurlijke omstandigheden waarin menselijke patiënten verkeren. Desondanks zijn dierproeven wettelijk verplicht gesteld (lees hier waarom) voor bepaald onderzoek met betrekking tot de ontwikkeling van geneesmiddelen, terwijl in vitro (celcultuur) en/of in silico (computergestuurd) onderzoek met menselijke data slechts optioneel is.
De (primaire) afhankelijkheid van misleidend dierproefonderzoek kost niet alleen talloze dierenlevens, het staat eveneens medische vooruitgang in de weg en resulteert jaarlijks, in Nederland alleen al, in verkwisting van miljoenen aan onderzoeksgeld.
Zeker zo zorgwekkend is dat de onbetrouwbaarheid van dierproeven aantoonbare gevaren oplevert voor de volksongezondheid onder mensen; niet alleen lopen menselijke proefpersonen (vrijwilligers) een verhoogd (en vaak zelfs aanzienlijk) risico tijdens klinische studies, ook worden er regelmatig onveilige medicijnen toegelaten tot de markt die jaarlijks duizenden, al dan niet dodelijke, slachtoffers maken.
Bewijs voor de onbetrouwbaarheid van dierproeven wordt her en der ook direct geleverd door dierproefnemers zelf. Er is legio bewijs waar bevindingen uit dierexperimenten door onderzoekers aan de kant worden geschoven als zijnde irrelevant
(voor mensen). Zo komt het dikwijls voor dat preklinisch onderzoek op dieren niet het verwachte (lees: het gewenste) resultaat oplevert. Men hoopt voornamelijk te bewijzen
(in dieren) dat een kandidaatmedicijn een gunstige werking heeft en verder niet schadelijk is.
Wanneer een middel, na langdurig en kostenintensief proefdieronderzoek, toch schadelijk blijkt te zijn voor proefdieren wordt nog wel eens geprobeerd om aan deze uitkomst een totaal andere interpretatie te geven, namelijk dat het opeens niet meer zo relevant is. Weinig verassend gaat het in zulke gevallen dan om medicijnen die inderdaad niet per definitie schadelijk zijn voor mensen en die vaak zelfs aanslaan. Het roept direct nog een andere vraag op; wat gebeurt er met onderzoek naar kandidaatmedicijnen wanneer deze als onveilig
worden getest op dieren, terwijl ze mogelijk wel veilig en effectief zijn voor mensen, als men de resultaten van het proefdieronderzoek wèl als relevant bestempeld? Het antwoord hierop is dat dit onderzoek vroegtijdig wordt afgebroken of dat regelgevende autoriteiten geen toestemming verlenen om het middel klinisch te testen (op menselijke vrijwilligers), op basis van de negatieve resultaten in dieren.
Dit betekent dat onderzoek naar potentieel levensreddende medicijnen nooit voltooid wordt enkel en alleen omdat men geen betrouwbare dierproefvrije technieken heeft aangewend. Ook het gegeven dat dierproefnemers in toenemende mate verwoede pogingen ondernemen om dieren meer op de mens te laten lijken
door ze genetisch te manipuleren, in plaats van het onvermijdelijke onder ogen te zien (namelijk dat de focus hoort te liggen op het menselijke model), spreekt boekdelen.
Dit alles onderschrijft enkel dat dieren niet goed model
kunnen staan voor de mens in biomedisch wetenschappelijk onderzoek. Voor veterinair proefdieronderzoek geldt een duidelijk ethisch bezwaar; als men heeft besloten dat het moreel onacceptabel is om mensen in zetten voor bepaalde experimenten ten behoeve van mensen dan volgt daaruit logisch dat het evenzo verwerpelijk is om levende dieren te gebruiken in soortgelijke experimenten die (mogelijk) andere dieren dienen.
(*1) Harding, A.More compounds failing phase I. FDA chief warns that high drug attrition rate is pushing up the cost of drug development. The Scientist, August 6th 2004
(*2) US General Accounting Office. 1990. FDA Drug Review: Postapproval Risks 1976-1985. Washington, DC: US General Accounting Office.
(*3) Lazarou J, Pomeranz B, Corey PN. Incidence of adverse drug reactions in hospitalized patients: A meta-analysis of prospective studies. JAMA 1998;279:1200–1205.
(*4) Boseley S. 2008. Adverse Drug Reactions cost NHS £2bn. The Guardian, April 3.
(*5) Meulenbelt J, Mensinga Tj T, Kortboyer JM, Speijers GJA and de Vries I. 1998. Healthy volunteer studies in toxicology. Toxicology Letters 102-103:35-9.
(*6) Li AP. 2004. Accurate prediction of human drug toxicity: a major challenge in drug development. Chemico-Biological Interactions 150:3-7.
(*7) Meulenbelt J, Mensinga Tj T, Kortboyer JM, Speijers GJA and de Vries I. 1998. Healthy volunteer studies in toxicology. Toxicology Letters 102-103:35-9.
(*8) Gura T. 1997. Systems for identifying new drugs are often faulty. Science 278:1041-1042.
(*9) Macleod MR, O’Collins T, Howells DW, Donnan GA. 2004. Pooling of animal experimental data reveals influence of study design and publication bias. Stroke 35:1203-8.
(*10) Macleod M. 2005. What can systematic review and metaanalysis tell us about the experimental data supporting stroke drug development? International Journal of Neuroprotection and Neuroregeneration 1:201.
(*11) Balcombe JP, Barnard ND and Sandusky C. 2004. Laboratory routines cause animal stress. Contemporary Topics in Laboratory Animal Science 43:42-51.
(*12) Lepschy M, Touma C, Hruby R and Palme R. 2007. Noninvasive measurement of adrenocortical activity in male and female rats. Laboratory Animal 41:255-61.
(*13) Meulenbelt J, Mensinga Tj T, Kortboyer JM, Speijers GJA and de Vries I. 1998. Healthy volunteer studies in toxicology. Toxicology Letters 102-103:35-9.





