15 september 2009
Door Andre Menache; wetenschappelijk adviseur van de Anti Dierproeven Coalitie en AntiDote.
Dit artikel heeft een tweeledig doel. Het is een ‘compte-rendu’ van de conferentie in Vannes gepresenteerd op 21 juni 2008 door Andre Menache en het is een oproep aan alle verantwoordelijke wetenschappers, toezichthouders en leden van het publiek om een ramp te helpen voorkomen.
REACH is de Europese verordening inzake chemische stoffen. Het handelt over de registratie, evaluatie en autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen en is in werking getreden op 1 juni 2007. Het beheer van dit grote programma is toegewezen aan het nieuw opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (European Chemicals Agency, ECHA), gevestigd in Helsinki, Finland.
Het doel van REACH is:
"Het verbeteren van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu door betere en snellere identificatie van de intrinsieke eigenschappen van chemische stoffen".
Volgens ons is het REACH-programma een verontschuldiging en een erkenning van schuld aan de samenleving voor de duizenden slecht geteste industriële chemicaliën die nu ons lichaam en het milieu binnendringen. Het zou niet handig zijn in dit stadium een filosofisch debat te beginnen over de vraag of de schuldvraag voor onze huidige hachelijke situatie met duizenden chemische stoffen - sommige goed, sommige slecht, sommige zeer slecht – beantwoord moet worden door de industrie of door de maatschappij of vice versa. Om te proberen de vraag te beantwoorden "Wie schiep de noodzaak voor zo veel chemicaliën in de eerste plaats - de maatschappij of het bedrijfsleven?" is als proberen het raadsel op te lossen van wat er het eerste was - de kip of het ei?
Ratten en muizen worden nog steeds gevoerd aan deze chemische dinosaurus
Het concept en het kader van REACH zijn voldongen feiten. We hebben nu de zware taak om te proberen een chemische dinosaurus te temmen - om te proberen het toxische risico van ongeveer 30.000 chemische stoffen te beoordelen. Hoewel de REACH-regelgeving ruimte laat voor innovatie (bijv. bijlage XI *), blijven de huidige testen met traditionele dierproeven bestaan en zijn die onbetwist met betrekking tot hun relevantie voor de menselijke gezondheid. Bovendien zal elke poging om een nieuwe testmethode in te voeren de overlegging van "proof of principle" vereisen, gevolgd door een vrij lange "validatie" procedure, die meestal voldoende is om de meeste mensen te laten schrikken, inclusief de industrie.
Een poging om de Europese Commissie (EG) richtlijn aan te vechten door aan te tonen dat de huidige testen verouderd en irrelevant zijn, is helemaal niet een gemakkelijke opgave. In feite is de EG in wezen immuun voor juridische uitdagingen, behalve in zeldzame gevallen (bijvoorbeeld Zweden contra de Commissie van de Europese Gemeenschappen **). Echter, binnen het kader van de REACH-regelgeving zijn er verschillende manieren om goede wetenschap te bevorderen en om aldus "slechte wetenschap" te elimineren (een verwijzing naar de dierproeven, gemaakt door de vertrekkende directeur van het ECVAM).
In het kader van volksgezondheid is de visie van ‘Antidote’ dat het gebruik van dieren om ‘veiligheids grenzen’ te bepalen bij menselijke chemische blootstelling zinloos is.
Met meer dan 250 ‘stammen’ van ratten en 330 ‘stammen’ van muizen om uit te kiezen, is het mogelijk om te bewijzen dat vrijwel elke chemische stof "veilig" is of juist het tegenovergestelde. Wanneer we spreken over veiligheid, moet de operationele zin zijn: "veilig voor wie (welke soorten)?"
De EU-wetenschappers en wetgevers die zich bezighouden met dierproeven zijn bereid te overwegen om niet-dierlijke methoden te gebruiken, maar op voorwaarde dat deze methoden eerst "validatie" ondergaan. Validatie van een methode impliceert dat het wetenschappelijk is geëvalueerd voor een bepaald doel (relevantie) en bovendien, dat het betrouwbaar en reproduceerbaar is. Hoewel het concept van de validatie een duidelijke is, werpt hij twee cruciale vragen op: (i) in welke mate zijn dierproeven gevalideerd? Met deze vraag, maken we de gewaagde veronderstelling dat dierproeven allemaal zijn gevalideerd. Echter, dit is in feite een "afleidingsmanoeuvre", omdat het afbreuk doet aan het echte probleem - de noodzaak om testgegevens te valideren met betrekking tot de mens - door het testen van menselijk biologisch materiaal, met inbegrip van cellen en weefsels van menselijke oorsprong, in aanvulling op niet-invasieve klinische studies met menselijke vrijwilligers en patiënten. Er zijn geen betrouwbare modellen voor de studie van de mens dan de mens zelf. (ii) waarom gaan validering en wettelijke erkenning zo tergend langzaam?
Het regelgevende systeem loopt uit de pas met de wetenschappelijke feiten
Deze twee aspecten van validatie rechtvaardigen nader onderzoek. Ongelooflijk is het dat dierproeven nog nooit formele validatie hebben ondergaan (1), een feit dat een voormalig hoofd van ECVAM *** naar voren bracht met het begrip "invalidatie" door te stellen dat het duidelijk is dat veel momenteel aanvaarde dierproeven niet, en nooit zullen, voldoen aan de overeengekomen criteria voor validatie (2). Dit initiatief - niet verrassend - lijkt grotendeels te zijn genegeerd, zowel door de industrie als door de regelgevende instanties. Het zou de autoriteiten in te grote verlegenheid brengen voor het grote publiek, door toe te geven dat dierproeven niet werken.
Het tweede problematische aspect van de validatie is de tijd die wordt genomen om een niet dierlijke methode te ontwikkelen en te valideren en vervolgens te wachten op wettelijke goedkeuring. Een actueel voorbeeld om dit punt te illustreren is de vervanging van de konijn pyrogeniteit (koorts) proef door een niet dierlijke methode. Een niet dierlijke methode werd ontwikkeld in 1988 door Britse wetenschappers, maar werd niet eerder gevalideerd dan in 2006 (3). Geïnformeerde bronnen voorspellen dat deze methode in 2010 wettelijke goedkeuring zal ontvangen, als een officiële vervanger voor het proef konijn - een totaal van 22 jaren om te bereiken dat een enkele dierproef vervangen wordt! Veel mensen stellen de brandende vraag: "waarom duurt dit proces zo lang?" Het antwoord is heel triest. Het is gedeeltelijk te wijten aan de incompetentie van de overheid en het bedrijfsleven en deels aan het feit dat dierproeven al jaren bestaan en zowel de regelgevers als de industrie bekend zijn met de gegevens uit dierproeven, zelfs als die niet relevant zijn voor de menselijke gezondheid. De industrie weet dat met het oog op de ontwikkeling en invoering van een nieuwe, niet dierlijke methode, veel geld geïnvesteerd zal moeten worden, hoewel dat op zich geen belemmering is. Een veel grotere zorg echter is het risico dat de methode niet zal worden geaccepteerd door de regelgevende instanties. Dit kan waarschijnlijk met name gebeuren wanneer een testmethode ontwikkeld met behulp van menselijke cellen en weefsels wordt vergeleken met historische gegevens uit dierproeven.
Testcase: acute toxiciteit
Een van de meest basale vereisten voor alle chemische testprogramma’s is het bepalen van de hoeveelheid van een stof die een individu kan doden met een enkele dosis (acute toxiciteit). REACH is geen uitzondering op deze regel, maar als deze dierproeven gewoon een oefening zijn in blinde informatie verzameling - een hardnekkige weigering om de "slechte wetenschap" los te laten – dan wordt aan het feit voorbijgaan dat geen enkele diersoort een betrouwbaar biologisch model van de mens is.
Aanvankelijk pleitte REACH voor acute systemische (het hele lichaam) toxiciteit gegevens via een enkele route, en alleen voor chemische stoffen in de handel gebracht met volumes van meer dan 10 ton per jaar (4). Er zijn echter amendementen ingediend door verscheidene EU-lidstaten die hebben geleid tot acute letaliteit gegevens die nodig zijn voor alle stoffen die onder REACH vallen (dat wil zeggen, 30.000 chemische stoffen in de handel gebracht in hoeveelheden van meer dan 1 ton per jaar), plus de eis voor letaliteit gegevens via een tweede route voor ongeveer 10.000 chemische stoffen die jaarlijks op de markt komen in hoeveelheden van meer dan 10 ton (5).
Aangezien vrijwel elke chemische stof in de handel is getest met behulp van een orale LD50 (letale dosis die 50% van de proefdieren doodt) of een verfijnde variant daarvan, zal de tweede route studie ofwel door inademing of via de huid - waarvoor 30-40 dieren per test nodig zijn volgens OECD Test Guidelines 402/403 (6), en waarvoor "alternatieve proeven" nog moeten worden geaccepteerd. Daarnaast moeten er nog veel meer "alternatieve proeven" worden uitgevonden, aangezien de huidige regelgeving nog steeds grotendeels aangewezen is op dierproeven als referentiepunt, in plaats van testmethoden die rechtstreeks van toepassing zijn op de mens, zoals opgemerkt door ‘Antidote’ in 2005. Ons wordt verteld dat deze op mensen gebaseerde methoden eerst nog validatie moeten ondergaan - een mission impossible, omdat ECVAM niet over dieren data beschikt om die met menselijke celgegevens te kunnen vergelijken! Dus omwille van opportunisme worden nog eens 10.000 chemische stoffen op dieren getest, hoewel de resulterende gegevens zinloos zijn voor wat betreft de bescherming van de volksgezondheid en het milieu. Hoewel dit fabrikanten de mogelijkheid biedt om aan de wettelijke vereisten te voldoen, zal het niet in het belang zijn van de consument.
Een toelating door de farmaceutische industrie
Deze situatie klinkt als een ramp in de maak. Interessant is echter een wetenschappelijke publicatie die verscheen aan het begin van het jaar, die een mogelijkheid biedt om dierproeven in REACH aan te vechten. Een consortium van 18 farmaceutische bedrijven kondigde aan dat ze op zoek waren naar een overeenkomst met de regelgevende instanties om acute toxiciteit testen te schrappen, aangezien deze categorie van testen als overbodig werd beschouwd. Deze wijziging heeft eigenlijk een doos van Pandora geopend met schokkend nieuws - de erkenning door de industrie dat deze "traditionele" toxiciteitsproeven eigenlijk zinloos zijn. Hoewel de huidige discussie alleen betrekking heeft op acute toxiciteit, kan het het begin inluiden van een "domino-effect" met betrekking tot alle andere wettelijke vereisten voor dierproeven. Naast de acute toxiciteit, moeten we ook testen voor kanker, neurologische aandoeningen, reproductieve misvormingen, schade aan de foetus, en meer herzien, waarvan de gegevens uit dierproeven eenvoudigweg onbetrouwbaar zijn, en waarvoor de klassieke studie van de epidemiologie (studie van de menselijke populaties) ongeschikt kan zijn, omdat het vele jaren kan duren voordat de ziektesymptomen verschijnen.
Deze vreemde gang van zaken doet de vraag rijzen: hoe lang zijn de industrie en de regelgevende instanties bekend met deze situatie en hebben zij erover gezwegen? Het antwoord is: ongeveer 30 jaar! (7).
Er is geen twijfel over dat publieke druk en de inspanningen van de dierenwelzijnlobby significant hebben bijgedragen aan dit tijdig blootleggen en het wekt het vermoeden dat er meer overbodige toxicologische onderzoeken worden uitgevoerd waarover het publiek niet wordt geïnformeerd (wij zouden zeggen dat alle giftigheidstesten op dieren irrelevant zijn en dus overbodig). Er doet zich nu een kans voor om het chemische stoffen REACH-programma aan te vechten, in het licht van deze openbaring door de farmaceutische industrie.
‘Antidote Europe’ wil haar lezers en supporters graag informeren over dit onderzoek dat nu krachtig zal worden vervolgd door alle mogelijke juridische wegen om ervoor te zorgen dat REACH het gestelde doel bereikt - de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu - door het gebruik van moderne toxicologische methoden en goede wetenschap.
* Bijlage XI (Algemene regels voor de aanpassing van de standaard testregeling) Artikel 1.2. Gewicht van bewijs "Er kan voldoende bewijs zijn voor het gebruik van recent ontwikkelde testmethoden die nog niet in de testmethoden bedoeld in artikel 13 (3) of van een internationale testmethode door de Commissie of het Agentschap als zijnde gelijkwaardig erkend, om tot de conclusie te komen dat een stof al dan niet een bepaalde gevaarlijke eigenschap heeft. Wanneer er voldoende bewijs voorhanden is voor de aanwezigheid of afwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap: - van verdere proeven op gewervelde dieren voor die eigenschap zal moeten worden afgezien.
** In 2004 heeft de Zweedse overheid een zaak voor het Gerecht van eerste aanleg gebracht over het besluit van de Commissie om het gebruik van paraquat, een gevaarlijk bestrijdingsmiddel, in de EU mogelijk te maken. Het Gerecht van eerste aanleg verbood het gebruik van paraquat in juli 2007.
*** Europees Centrum voor de Validatie van Alternatieve Methoden




