COMMERCIEEL DIERPROEFCENTRUM IN NEDERLAND

Door: Marcel van Engelen, De Pers

Zelfs de secretaresse van het bedrijf dat dierproeven verricht, moet zich op een verjaardag verantwoorden. Want testen op dieren is zielig en fout. Of toch niet? Op bezoek bij één van de grotere centra in Nederland.

‘Wij hebben niks te verbergen’, zegt de technisch directeur. ‘Er komen ook wel eens schoolkinderen langs’, vult de algemeen directeur aan. ‘Die komen binnen met het idee dat we vreselijke dingen doen, maar gaan heel anders weer weg.’ De technisch directeur: ‘De indoctrinatie over dierproeven begint al op school. Mijn eigen kinderen vroegen ook eens aan me of het wel kan wat ik doe.’

Nee, geen namen, geen vestigingsplaats – voorwaarden voor een rondleiding in één van de grotere dierproeflocaties in Nederland. Een commercieel bedrijf, dat voor klanten de bijwerkingen test van medicijnen, maar ook van bijvoorbeeld kleurstoffen, conserverings- of reinigingsmiddelen.

Protesten vielen mee
De protesten van dierenactivisten vielen tot dusver mee, en dat wil de directie graag zo houden. Af en toe een hate-mailtje en een paar keer een groepje aan de poort. ‘Dan roepen ze ‘moordenaar’ in je gezicht’, zegt de algemeen directeur. ‘Ik kan er wel tegen, maar veel medewerkers vinden dat niet prettig.’

In de branche zijn genoeg andere verhalen bekend. Zoals van de fokker van proefdieren – ja, ze worden er speciaal voor gefokt – die thuis zo werd belaagd dat hij er de brui aan gaf.

‘Bij ons staat dierenliefde voorop’, zegt de algemeen directeur. Dierenliefde? ‘Nu ja, zoals een boer dat ook heeft. Die weet ook dat zijn dieren uiteindelijk naar het slachthuis gaan. Maar tot die tijd probeert hij hun leven zo aangenaam mogelijk te maken. We stellen de dierproeven zo lang mogelijk uit. Eerst computersimulaties, dan cellen- en weefselonderzoek. Maar voordat er mensen in beeld komen, komen er toch dieren aan te pas.’ De technisch directeur: ‘Bij de ontwikkeling van medicijnen zijn dierproeven zelfs wettelijk verplicht.’ (Noot: slechts 30% van alle dierproeven zijn wettelijk verplicht)

'Lagere' diersoorten

Behalve honderden ‘lagere’ diersoorten zoals vissen en regenwormen zijn in huis: duizend ratten, ruim 160 honden en 150 muizen. Het hoofd toxicologie gaat voor naar het eerste verblijf, dat van de knaagdieren. Alle kleren uit, behalve de onderbroek. Overall aan, muts op, mondkapje voor en de klompen eerst dopen in een bak met ontsmettingswater. ‘We willen het onderzoek op geen enkele manier beïnvloeden door bacteriën van buiten.’

Het heeft iets weg van een ondergronds ziekenhuis, met lange witte gangen, deuren met raampjes om naar de patiëntjes te kunnen kijken en personeel in chirurgenuniform. In de ‘formuleringskamer’ bereiden jonge vrouwen met schepjes en weegschaaltjes de teststoffen. Farmaceutische en chemische bedrijven leveren die meestal in poedervorm aan. De middelen worden getest in een kleine twintig kamers waar de knaagdieren in glazen bakken leven, boven elkaar, in stellages. De dieren krijgen de teststoffen meestal toegediend via het voedsel, soms via een slangetje of injecties, een enkele keer op de huid aangebracht.

‘Ik ben de konijnenboer’, zegt een medewerker lachend in de eerste kamer. Hij pakt een konijn op met een kaalgeschoren plek, waarop een teststof is aangebracht. Een test voor huidirritatie.

Bijwerkingen testen
In een volgende kamer wegen twee medewerkers net de ratten, die via de voeding een stof krijgen toegediend om de bijwerkingen te testen. De bijwerkingen ja, want dierproeven moeten vooral laten zien of een geneesmiddel niet giftig is, dan wel kankerverwekkend. Of een geneesmiddel wérkt, bij mensen, kan alleen worden vastgesteld door het aan mensen toe te dienen. Dan is ook pas te zien of de bijwerkingen voor mensen echt aanvaardbaar zijn. Maar voordat het aan proefpersonen mag worden toegediend, moet het middel minimaal veertien dagen op muizen of ratten zijn getest.

In elke kamer ligt een dikke map: het ‘studiedagboek’, waarin per gemerkt dier (een tatoeage, een oorknipje) de vorderingen worden vastgelegd: hoeveel ze eten, hoeveel ze drinken, gewicht, de samenstelling van het bloed. ‘Wat we in wezen doen, is kijken bij welk niveau van toediening problemen ontstaan’, zegt de medewerker. ‘Je begint met een bepaalde dosis en die verhoog je steeds.’

De problemen zijn soms al van buiten zichtbaar. ‘Als het dier krom gaat zitten bijvoorbeeld, een ruige vacht krijgt of duf wordt.’ Uiteraard zijn de bijwerkingen afhankelijk van het toegediende middel, maar in de regel krijgen de dieren last van hun lever, omdat die de toegediende stoffen moet afbreken.

Gedragseffecten meten

Een opvallend hulpmiddel om gedragseffecten te meten, staat in de volgende kamer: een zwembad met een doolhof, dat doet denken aan de cavia-race uit de Wie-Kent-Kwis van Fred Oster. De muizen en ratten moeten al zwemmend hun weg zien te vinden. Hun tijden worden in de map genoteerd. ‘Een elegante manier om het leer- en geheugenvermogen te testen’, zegt het hoofd toxicologie.

In andere kamers staan apparaten met led-stralen die de motorische activiteit van muizen en ratten kan vastleggen. Ook zijn er boxjes waarin kan worden bekeken hoe de knaagdieren reageren op geluid. ‘We laten ook altijd een testgroep meelopen die niks krijgt toegediend, om het verschil vast te stellen.’ Aan het eind van de lange gang wacht de ‘sluis’, twee glazen schuifdeurtjes met een tussenruimte, waar de diertjes in een bak worden afgeleverd als de testen voorbij zijn. Een enkel proefdier wordt vanwege de bijwerkingen al na een paar dagen ‘geëuthanaseerd’. Sommige gaan langer mee, tot uiterlijk twee jaar. Maar hun einde is allemaal hetzelfde: aan de andere kant van de sluis is de sectieruimte.

Proefdier is een instrument

Hier voelt de bezoeker voor het eerst waar de dierenactivist zoveel problemen mee heeft: het proefdier is tenslotte niet meer dan een instrument dat wij mensen gebruiken ten dienste van onszelf.

Radio 3 staat er aan en kinderfoto’s sieren de muren. De medewerkers brengen de dieren onder narcose, zetten een kapje op de mond om het leven definitief te beëindigen, leggen de dieren daarna op een snijtafel, knippen het open en halen de organen eruit. Die worden bestudeerd, gewogen, en in een potje op sterk water gezet, opdat de patholoog de organen later nog eens kan onderzoeken. De bebloede, opengeknipte omhulsels – kadavers kun je het niet meer noemen - stapelen zich op in een afvalbakje. Slik.‘Daar wen je aan’, zegt een medewerker. ‘Je moet ook voor ogen houden waarom dit wordt gedaan’ (Noot: voor de eigen portemonnee)

Nieuwe collega's
Toch houden nieuwe collega’s het soms, niet vaak, weer snel voor gezien. Al hebben ze minimaal een tweejarige mbo-opleiding biotechniek achter de rug, de confrontatie met de werkelijkheid kan hard zijn. Zeker als je met honden werkt.

Het hondenverblijf: Beagles van vijf of zes maanden oud verblijven er in stalen kooien die op enige hoogte hangen. Hun ontlasting valt door de roostervloer op de grond. Ze mogen er niet uit, dat zou het onderzoek beïnvloeden.

In wezen is het testen op honden hetzelfde als op knaagdieren, alleen zijn de uitkomsten ‘rijker’ – een hond lijkt meer op een mens dan een rat. ‘Ze krijgen oraal capsules toegediend voor een farmaceutische klant’, zegt een medewerker, terwijl hij in de gang in een map kijkt.

De studie duurt negen maanden, waarna ook de honden op de snijtafel belanden. Opvallend is dat die omringd wordt door posters van lieve hondjes, Beagles, met namen als ‘Rakkertje’. Alsof we in de slaapkamer van een meisje zijn beland.

‘Die posters zijn opgehangen door de verzorgers van de honden’, zegt de algemeen directeur van het dierproevenbedrijf later. ‘Niet door de medewerkers die sectie verrichten. Sommige verzorgers willen er niet bij zijn als dat gebeurt.’

Voor meer informatie zijn we bereikbaar via onze email: info@stopdierproeven.org