DE HONDENHANDELAREN
Hoe een hondenleven kan eindigen in proefdiercentra
Door Alian Thomas
De dierenwelzijnwereld zit vol met geruchten, pro's en contra's: 'Die en die verkoopt honden aan laboratoria', 'Hoe kom je daarbij, die en die verricht fantastisch werk.' Iedereen die al jaren betrokken is bij dierenwelzijn weet precies wat ik bedoel. Dit artikel gaat over een van de zeldzame voorvallen waarin de werkzaamheden van hondenhandelaren werden blootgelegd. Het vond plaats in Frankrijk eind jaren '80 en het leidde tot een rechtszaak. De zaak werd in Frankrijk bekend onder de naam 'l'Affaire d'Agen' ('De Zaak Agen'), genoemd naar de plaats waar de rechtszaak werd gehouden. Het hele verhaal is gedocumenteerd in een boek van Henri Barbe waarop dit artikel is gebaseerd (Henri Barbe, 'Trafiquants de Chiens, Le drame des animaux qui disparaissent', ANTAC/Edictis 1996. ISBN 2-226-07927-0).
Het verhaal heeft vele kanten en de lessen die eruit getrokken kunnen worden zijn vooral op dit moment interessant nu de Britse regering een nieuwe dierenwelzijnswet voorbereid en de EU een wetgeving overweegt die moet leiden tot een aanzienlijke daling van het aantal dierproeven.
Het was half vier 's middags, 8 oktober 1987, en de politieagenten Di-Folco, Capron en Amouroux werden aanwezig bij een klein verkeersongeluk bij de plaats Villeneuve sur Lot in het zuidwesten van Frankrijk. Zij spraken daar met een heel vriendelijke, keurig geklede man die zichzelf voorstelde als dr. Jean-Claude Lessieux uit Parijs; niet het gangbare type van een bestelbus chauffeur dachten de agenten. Hij vervoerde 'materialen' vertelde de man. De bestelbus was slechts licht beschadigd. De politieagenten maakten aantekeningen en reden weg, maar Di-Folco voelde dat iets niet in de haak was en voeg zijn collega's of zij iets bijzonders hadden opgemerkt. 'Nee', antwoordden zij, 'behalve', zei Capron 'dat ik zou zweren iets gehoord te hebben vanuit de bestelbus. Het instinct van een agent en het goede gehoor van een ander zette vervolgens een trein van gebeurtenissen in beweging die zou leiden tot de ontmaskering van een zeer goed functionerende organisatie om honden te leveren aan laboratoria voor het uitvoeren van experimenten.
Later die dag ging de politie naar de garage waar de bestelbus van dr. Lessieux werd gerepareerd en de agenten ontdekten dat in de bus metalen kooien waren en ook dat er een sterke lucht hing van honden. Meteen nam Di-Folco contact op met Lessieux voor een verklaring. 'Waarom hebt u verteld dat u materialen vervoerde?' Het antwoord was kil: 'Honden zijn materialen voor wat betreft laboratoria.' Dr. Lessieux bleek niet makkelijk te intimideren en hij was dan ook snel met zijn opmerking dat er niets illegaals is in het vervoeren van honden naar laboratoria zolang de juiste procedures worden nageleefd. Di-Folco vroeg waar de honden waren gebleven en hij kreeg als antwoord dat de dieren bij een lokale fokker waren die ook eigenaar was van een kennel. De eigenaar daarvan heette Prabonne en woonde in het vlakbij gelegen dorp Pujols.
De politie handelde snel en agenten gingen naar die Prabonne. Maar wat zij aantroffen was een gewone kenneleigenaar die het prettig leek te vinden om over de vooraanstaande dr. Lessieux te praten. Absoluut, hij voelde zich vereerd dat een heer uit Parijs speciaal met hem zaken wilde doen. Agenten worstelden zich door het papierwerk inzake de honden van Lessieux. Enkele documenten ontbraken, waarop de politie Lessieux vertelde dat hij de honden niet terug zou krijgen. Maar, de lokale politie zou heel snel de eerste aanwijzingen krijgen die erop wezen dat er veel meer aan de hand was dan eerder werd verwacht.
Later op de avond rinkelde de telefoon in het lokale politiebureau. De landelijke organisatie 'Direction des Services Vétérinaires' (een organisatie van dierenartsen) was over de zaak gewaarschuwd en stelde nadrukkelijk dat wat haar betrof het papierwerk in orde was. De politie voerde haar tegenargumenten aan, maar uiteindelijk moesten twee honden terug naar dr. Lessieux. De lokale politie had vervolgens de zaak kunnen opgeven, maar het korps hield vol. Agenten gingen terug naar de kennels van Prabonne en controleerden het papierwerk van al zijn honden. In het papierwerk bleek veel te ontbreken. Van de 99 honden in de kennels waren er 68 niet geregistreerd als honden die naar de kennels waren gebracht en 74 honden hadden geen oormerk of illegale oormerken (in Frankrijk moeten alle honden volgens de wet geoormerkt zijn, maar in de praktijk blijken veel honden dat niet te zijn). Agenten confronteerden Prabonne met hun bevindingen en zijn reactie moeten we goed onthouden. Hij zei: 'Ik ben slechts een vrijwilliger, ik heb geen tijd voor papierwerk, er zijn belangrijkere zaken te doen.'
Verder zei Prabonne een gewone eigenaar van een kennel te zijn en dat hij feitelijk juist vele honden had gered zonder er zelf enig gewin bij te hebben behalve het helpen van honden. De agenten waren zelfs bijna overtuigd door het verhaal, maar als zij eens een bezoekje hadden gebracht in een van de cafés van Pujols dan hadden zij een totaal ander verhaal kunnen horen. Daar was het algemeen bekend dat als je je hond miste je als eerste naar een van de kennels van Prabonne moest gaan en als hij zei dat je hond er niet was dan moest je hem gaan dreigen. Vaak, als je hem ervan wist te overtuigen dat het je ernst was, dan zou de hond op mysterieuze wijze opduiken in iemands tuin. Deze plaatselijke informatie zou echter pas later in het onderzoek tevoorschijn komen. Wat uiteindelijk de politie wist te overtuigen dat ze iets op het spoor was, waren enkele andere documenten. Dat waren enkele bonnen van een transportbedrijf met informatie over grote aantallen honden die de kennels verlieten. Geconfronteerd met die informatie gaf Prabonne toe dat tussen oktober 1986 en oktober 1987 108 honden naar 'cliënten' in heel Frankrijk werden vervoerd. Vervolgens heeft de politie alle informatie uit het 'papier-spoor' bij elkaar gevoegd en ontdekte dat in totaal 354 overtredingen waren begaan. Di-Folco, wiens instinct al bij aanvang van het onderzoek hem vertelde dat er iets serieus niet in de haak was, was er nu van overtuigd dat de politie Prabonne voor iets ernstigs op het oog had, maar voor wat?
Wanneer er voldoende feiten zijn om een zaak aan te spannen dan is de volgende stap in de Franse rechtspraak om een onderzoeksrechter aan te stellen. Hier hielp het lot een handje. De rechter die werd aangesteld was ene Jean-François Daux. Rechter Daux was een lange man met kort haar. Hij was een imposante persoonlijkheid met een ietwat superieur imago en als het aankwam op de wet stond rechter Daux bekend vanwege zijn grondige werk en vanwege het feit dat hij weinig openstond voor compromissen. Als iemand tot de bodem zou kunnen gaan en komen van deze zaak dan was hij het.
De rechter kwam er al snel achter dat voorwaarden die eigendom en overdracht van honden regelen in Frankrijk simpelweg niet werden nageleefd. Hij vermoedde verder dat enkele documenten konden zijn vervalst (zoals het geval was met de illegaal aangebrachte oormerken in Prabonne's kennels). Hierdoor ontstond meteen een probleem, omdat de informatie die Daux nodig had niet uit archieven kon worden gehaald en als er wel informatie voorhanden was dan was die niet altijd betrouwbaar. Zijn reactie was echter simpel: hij startte een operatie om telefoons af te tappen van de hoofdverdachten: zij hadden de benodigde informatie.
Een van de eerste ontdekkingen in het justitieel onderzoek was dat Prabonne in contact stond met de 'Direction des Services Vétérinaires' die hem belde om te waarschuwen voor aankomende inspecties. Dat zou Prabonne de gelegenheid geven om illegale honden te verwijderen voordat er officiële inspecties zouden zijn. Dit contact verklaarde ook het telefoontje vanuit het lokale politiebureau in een vroeg stadium van het onderzoek dat erop duidde dat het netwerk waarschijnlijk vele andere contacten had op belangrijke posten.
De onderzoeken door rechter Daux waren gedetailleerd en leidde tot een lijst met aanklachten tegen zo'n 19 personen. De rechter kwam ook tot twee conclusies inzake condities die leidden tot een georganiseerd netwerk van hondenhandelaren:
1) Er was een substantiële toename van het aantal voorhanden zijnde honden. Die honden waren afkomstig van drie belangrijke bronnen:
* commerciële hondenfokkers;
* eigenaren van honden als huisdieren die de dieren niet langer wilden;
* eigenaren van werkhonden, jachthonden en boerderijhonden die van hun honden afwilden omdat deze te oud werden voor hun taken.
Dit alles veroorzaakte een overschat aan niet-gewilde honden.
2) Marktwerking leidde tot het ontstaan van een netwerk of een pijplijn om deze overbodige honden te slijten aan opkopers. Sommige van die kopers waren proefdiercentra, anderen waren organisaties die de honden zouden doorverkopen als huisdieren of voor andere doeleinden. Iedereen in het netwerk had voordeel bij de verkoop.
Laboratoria hebben sporadisch behoefte aan honden. Zij hebben een speciaal ras nodig en in ieder geval een hond met een speciale grootte om proeven op uit te kunnen voeren voor een speciaal contract. Vanwege die speciale voorwaarden is het niet altijd mogelijk om de juiste soort hond in voldoende hoeveelheden (of voldoende goedkoop) van gecertificeerde fokkers te kunnen leveren aan laboratoria. Als dat gebeurt dan staat de wet in Frankrijk en in Groot-Brittannië laboratoria toe om honden te betrekken van andere bronnen.
Gegeven de wettelijke toestemming dan gebeurde het volgende. Het laboratorium zou contact opnemen met een kleine groep 'kennels' waarop zij in dat soort omstandigheden een beroep zouden kunnen doen. Dan zouden ze een specifiek aantal honden met een bepaald gewicht op een vastgestelde datum bestellen. Deze 'kennels' waren geheel legaal en legitieme ondernemingen en al hun administratie zou in orde zijn. Dit is het niveau waarin dr. Lessieux betrokken zou zijn. Onder dit niveau echter was een heel ander plaatje zichtbaar. De grotere 'kennels' zouden de orders dan naar beneden in de pijpijn doorgeven naar mensen zoals Prabonne die lokale 'kennels' of 'opvangcentra' beheerden. Prabonne zou dan tellen hoeveel geschikte honden hij op dat moment hield en stappen ondernemen om extra honden erbij te nemen die hij nodig had. Die stappen hielden onder andere in om in contact te treden met enkele plaatselijke criminelen en hun een aanvaardbare prijs te bieden voor elke geschikte hond die ze hem zouden brengen en er zouden geen vragen worden gesteld. Sommige van de honden die ze zouden kopen, met administratie van de eigenaren, andere honden zouden ze stelen wat risicovoller maar lucratiever zou zijn. In de volgende paar weken zouden sommige mensen in de gemeenschap opmerken dat er honden (en katten) verdwenen, waarna het weer een poos rustig zou zijn tot een volgende grotere order kwam vanuit de pijplijn.
Gewone honden moeten geoormerkte honden worden met papierwerk bij het veranderen van eigenaar, deze honden echter zijn niet gewenste dieren gekocht van hun eigenaren. Niet-geoormerkte honden zouden gestolen kunnen worden. Zij zouden dan illegaal voorzien kunnen worden van een tatoeage en valse papieren zouden kunnen worden opgemaakt. Meest belangrijke was dat de honden als legaal zouden konden worden aangemerkt als zij in de pijplijn omhoog zouden kunnen naar 'legale' kennels en uiteindelijk naar de proefdiercentra.
Dit systeem zou de meeste niet-geoormerkte honden in Groot-Brittannië behoorlijk waardevol in Frankrijk. Het zou ook geoormerkte greyhounds nog waardevoller maken als zij vergezeld zouden worden van papieren die het eigendomsrecht bewijzen.
Uiteindelijk werden vijf 'voorraad pijplijnen' vanuit Prabonne's kennels ontdekt. Deze tonen dat het ging om een gespecialiseerd netwerk en dat mensen die honden verkopen aan proefdierlaboratoria ook betrokken kunnen zijn bij het redden van honden. Via één voorraad pijplijn werden hoog gekwalificeerde jachthonden naar Spanje vervoerd. Een andere pijplijn zond vooral kleine honden naar een ogenschijnlijk gerespecteerde kennel in Parijs waar huisdier honden werden opgevangen. Een derde vervoerde honden voor herhuisvesting naar het zuidwesten van Frankrijk, waarschijnlijk onder de noemer van huisdieren. De vierde en vijfde pijplijn gingen naar twee experimentele proefdiercentra, één in Parijs en één in Toulouse. De commerciële wedloop tussen deze twee laboratoria hielp zowaar het onderzoek omdat het ene centrum maar wat graag informatie wilde verstrekken over het andere proefdiercentrum!
De uitkomst van het onderzoek in Frankrijk in 1987 was er een die we nog moeten behalen in Groot-Brittannië in 2002.
Henri Barbe verwoordt het als volgt:
'Tot vandaag de dag was de illegale hondenhandel een mythe, een gerucht, een fantasie en nu wordt het een werkelijkheid. De media begon het publiek te benaderen, verklaringen van mensen die hun honden kwijt waren geraakt aan politiebureaus in heel Frankrijk. De Agen zaak was geboren uit de koppigheid van een rechter en van politieonderzoek waarin simpele antwoorden niet werden geaccepteerd en een beerput werd geopend.'
Maar, was dit dan het definitieve resultaat van deze kwestie?
Je zou kunnen hopen dat de schuldigen snel zouden zijn gestraft en dat hiermee het recht zou hebben gezegevierd. Dat was dus niet zo!
De eerste rechtszaak werd in 1991 gehouden in de regionale rechtbank te Agen. De rechtszaal was vol en heel Frankrijk volgde de procedure iedere avond via twee belangrijke nieuwsprogramma's. Uiteindelijk werd de zaak vanwege een vormfout geseponeerd. Vervolgens werd de zaak opnieuw behandeld op 26 januari 1992. Verrassend genoegd werd de eerste vormfout onvoldoende geacht, maar een andere vormfout werd toen gevonden waardoor de zaak geen doorgang kon vinden. Er werd hoger beroep ingesteld en dat werd in april 1992 behandeld. De rechter stelde een nieuw team van rechters aan en een behandeling van de zaak werd gepland bij het Hoge Gerechtshof van Frankrijk in april 1993. Negentien mensen werden schuldig bevonden van de illegale handel in honden. Slechts tegen twee kregen celstraffen, de overige zeventien kregen geldboetes.
Het lijkt erop dat de schuldigen gestraft zijn met de lichtst mogelijke straffen en dat het proces was vertraagd om belangrijke onderdelen te laten vervagen in het publieke bewustzijn. Enkele individuen zijn gestopt met de handel in honden, maar het systeem van bevoorrading werd niet ontmanteld. Met rechter Daux ging het ook niet goed. In het begin ging het goed met hem, de media spraken lovend over hem en in 1998 werd hij door het invloedrijke blad 'Paris Match' benoemd tot 'Man van het Jaar'. Zijn professionele carrière echter werd er een van moeilijkheden en promoties bleven uit. Dit was verbazingwekkend, omdat Daux ook twee andere belangrijke rechtszaken met succes heeft behandeld: een tegen belangrijke drugsdealers en een tegen fraudeurs in autoverzekeringen. In deze onderzoeken alsook in zijn hondenhandel-zaak waren hoog geplaatste personen betrokken.
Vele lessen zijn door ons uit dit verhaal te leren. Een essentieel punt is dat accurate zaken noodzakelijk zijn en dat het niet uit maakt hoe zwaar de druk vanuit een organisatie is. Er is een morele verplichting om onderzoeken uit te voeren. Het is evenzo belangrijk wanneer een organisatie bereid is om mee te werken aan inspectieprocedures en dat het mogelijk moet zijn om onafhankelijke waarnemers te assisteren in het volgen van honden die via die organisaties naar hun eventuele bestemmingen gaan.
Dit zou het leven van hondenhandelaren moeilijker maken;
het zou organisaties kunnen identificeren die honden verkopen aan proefdiercentra;
het zou de goede naam kunnen beschermen van echte dierenbeschermingsorganisaties;
en het zou kunnen helpen om de dierenwelzijnssector te behouden van kwaadaardige geruchten.
Voorstellen hiertoe gaan onderdeel uitmaken van de Greyhoud Rescue Wales' toevoegingen aan de voorgestelde nieuwe dierenwelzijnswet.