Waarom gaan dierproeven door? 

Onderzoek op proefdieren is ongeschikt als 'model' voor menselijke toepassingen. Het mist elke degelijke wetenschappelijke grondslag en van verkregen resultaten zal altijd achteraf pas blijken of ze ook maar enigszins stroken met de resultaten bij mensen. Dit maakt proefdieronderzoek zeer onbetrouwbaar, misleidend en potentieel gevaarlijk. Voorts geeft het onderzoekers een vals gevoel van kennis over en veiligheid bij mensen, met alle gevolgen van dien. Klik hier voor mee informatie. Dit gegeven werpt echter wel de vraag op waarom dierproeven dan desondanks, op grote schaal, door blijven gaan. Hierbij spelen verschillende aspecten een rol, die hieronder allen, binnen vijf hoofdmotieven, worden toegelicht. Tussen een aantal van de genoemde punten bestaat een duidelijke, onderlinge samenhang. 
 

1) Financieel gewin 

Aan dierproeven valt ontzettend veel geld te verdienen; vele bedrijven en individuen hebben een sterke financiële afhankelijkheid van proefdieronderzoek. Dit is één van de voornaamste redenen dat experimenten op dieren door blijven gaan. Rondom vivisectie is een lucratieve industrie ontstaan, waarin bepaalde bedrijven, zoals proefdierfokkers, transporteurs van proefdieren en leveranciers van kooien, vivisectie-instrumenten en diervoeders, een allesomvattend belang hebben bij de voortzetting van dierproeven.  

Ook bedrijven uit onder meer de farmaceutische, chemische, cosmetische en levensmiddelen industrie hebben een aanzienlijk, aantoonbaar economisch belang bij het gebruik van proefdieren. Deze industrieën behoren tot de machtigste en meest winstgevende ter wereld. Dierproeven bieden deze industrieën op verschillende vlakken perspectief. Zo stellen wetsbepalingen tot het uitvoeren van dierexperimenten, in het kader van veiligheidsonderzoek, ondernemingen uit deze industrieën in staat om zichzelf te vrijwaren van mogelijke miljoenenclaims in geval hun producten op welke wijze dan ook schade veroorzaken. Ze kunnen dan terugvallen en wijzen op het gegeven dat ze aan hun wettelijke verplichtingen hebben voldaan. Dit biedt juridische bescherming doordat men zich aan elke aanklacht met betrekking tot nalatigheid kan trachten te onttrekken1. 

Wat echter geregeld gebeurt is dat bedrijven uit de industrie zich juist graag verschuilen achter wetgeving die dierproeven verplichten voor bepaalde doeleinden, zoals bijvoorbeeld geneesmiddelenonderzoek. De werkelijkheid is echter dat deze wetten mede in het leven geroepen zijn vòòr en dòòr de industrie zelf. Beleidsmakers hebben deze wetten vanzelfsprekend niet op eigen initiatief verzonnen en opgesteld. Eerder zijn ze tot stand gekomen in samenspraak met de industrie die hier zelf op heeft aangedrongen. De genoemde industrieën hadden en hebben namelijk wel degelijk een sterk belang bij de introductie en instandhouding van dergelijke wetten. Voorts hebben ze ook alle macht en invloed om deze wetgeving op elk moment te herroepen en aan te passen. Zolang men er echter zelf de vruchten van plukt is het niet waarschijnlijk dat dit zal gaan gebeuren. Vanuit de industrie wordt doorgaans gekozen voor de weg van de minste weerstand door de verantwoordelijkheid af te schuiven op de politiek. De focus van regulerende autoriteiten op resultaten van dierproefonderzoek geeft de industrie bovendien een vrijbrief om ook slechts minimaal te investeren in proefdiervrije technieken. Daar waar de industrie mogelijk wèl bereid is om over te schakelen op proefdiervrije methoden blijft men vaak steken in een impasse doordat er een catch-22 situatie ontstaat; terwijl de industrie wacht met het investeren in 'alternatieve' methoden totdat deze wettelijk geaccepteerd worden, wachten regulerende instanties juist op investeringen vanuit de industrie die moeten resulteren in betrouwbare en acceptabele proefdiervrije technieken. Zo blijft het dikwijls een kwestie van touwtrekkerij, waarbij beide partijen onvoldoende initiatief en verantwoordelijkheid nemen. Van belang daarbij is ook om te weten dat het verplichten van dierproeven berust op wetgeving van 50 jaar geleden. In die periode was het gemakkelijker om autoriteiten te overtuigen van het belang van proefdieronderzoek, aangezien er nog minder geïnvesteerd was in proefdiervrije technieken. Inmiddels is de wetenschap 50 jaar verder, en zijn er veel geavanceerde en gemoderniseerde proefdiervrije onderzoeksmethoden ontwikkeld. De wetgeving, daarentegen, is niet met haar tijd meegegaan.

Een ander voorbeeld van hoe dierproeven ondernemingen uit de industrie kunnen helpen met het verdienen van geld heeft te maken met het drukken van de kosten in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Helaas is bij elke commerciële industrie, dus ook de farmaceutische, de maximalisatie van winst de belangrijkste drijfveer. Er valt ontzettend veel te verdienen met het patenteren en verkopen van medicijnen. Daarbij probeert men de kosten van onderzoek, ontwikkeling en productie zo laag mogelijk te houden. De dominerende strategie binnen de farmaceutische industrie is voorts om kandidaatgeneesmiddelen zo snel mogelijk in de klinische fase van het onderzoekstraject te krijgen. Daar kan men immers pas effectief zien wat de kans is dat een middel echt werkt en niet schadelijk is, aangezien de eerste tests op mensen (eerst gezonde vrijwilligers, later patiënten) hier plaatsvinden. Hiertoe is het dus zaak voor farmaceutische ondernemingen om een product zo makkelijk en zo snel als mogelijk door de preklinische fase te loodsen. Met andere woorden, het versnellen van preklinisch onderzoek is van groot belang. 

Aangezien proefdieronderzoek zich kenmerkt door een welhaast grenzeloze flexibiliteit voor wat betreft het aantal mogelijkheden en in te stellen 'parameters' leent het zich uitstekend als methode hiervoor. Dierexperimenten vergen namelijk totaal niet van onderzoekers dat ze zich in de preklinische fase al exclusief focussen op het enige relevante model, namelijk het menselijke model. Integendeel, men heeft talloze 'diermodellen' (van verschillende diersoorten met specifieke leeftijd en geslacht) tot de beschikking (behalve de enige juiste) met behulp waarvan men veel makkelijker en sneller kan bewijzen wat men wil. Zo kan men dus ook 'bewijzen' dat een bepaald product 'veilig' en 'effectief' is. Bovendien worden bedrijven uit de industrie geenszins verplicht gesteld om alle data uit proefdieronderzoek over te dragen aan de regulerende autoriteiten. Hierdoor kunnen gunstige resultaten worden gepresenteerd, terwijl ongunstige resultaten worden weggelaten (achtergehouden). Dat de verkregen resultaten alleen van toepassing zijn op de gebruikte diersoort wordt voor lief genomen.  

Het vertrouwen in onbetrouwbare methoden met 'diermodellen', vormt echter een (verhoogd) risico voor de gezondheid van vrijwilligers in klinische studies. Er zijn legio voorbeelden aan te dragen van gevallen waarbij dergelijk onverantwoord opportunisme ook vele menselijke slachtoffers heeft geëist. Meer info vind je hier (http://www.vivisection-absurd.org.uk/50disas.html). Kennelijk vinden bedrijven uit de industrie deze risico's aanvaarbaar met het oog op het veiligstellen van de eigen financiële doelstellingen. 

Deze praktijken wordt des te schrijnender wanneer men beseft dat dierproefvrije onderzoeksmethoden, naast betrouwbaarder en relevanter, ook goedkoper kunnen zijn, zeker op de lange termijn. Daar lijkt een paradox te liggen; immers, als dierproefvrije technieken inderdaad goedkoper zijn, dan zou, vanuit het oogpunt van geldelijk gewin, daarin het meest geïnvesteerd worden. In werkelijkheid ligt het simpelweg net iets gecompliceerder. Er zijn andere factoren die een belangrijke rol spelen in het vasthouden aan dierproeven.

Allereerst is er de eerdergenoemde vivisectie-industrie; een enorm netwerk van machtige en invloedrijke bedrijven die elkaar de bal toespelen om samen zo rijk mogelijk te worden en te blijven. Handelsrelaties tussen ondernemingen uit verschillende takken binnen de industrie bestaan vaak al jarenlang en worden voortdurend aangehaald; zo lang de zaken goed gaan is er voor deze bedrijven weinig reden tot drastische verandering en het verbreken van solide banden ('never change a winning team'). Dit geldt des te meer wanneer er (financiële) onzekerheid bestaat ten aanzien van de gevolgen die dergelijke ingrijpende veranderingen met zich meebrengen.  
Daar waar de farmaceutische-, chemische en levensmiddelenindustrie zich, in de huidige opzet (met een dominante rol voor proefdieronderzoek), de afgelopen decennia hebben ontwikkeld tot een economische succesformule en miljardenbusiness, is het nog onduidelijk of de industrie adequaat kan omschakelen naar een situatie waarin onderzoek niet langer afhankelijk is van proefdieren. Hetzelfde geldt voor prestigieuze universiteiten en (medisch) wetenschappelijke instellingen die grotendeels afhankelijk zijn van onderzoeksbudgetten bedoelt voor proefdieronderzoek. Immers, de volgende ingrijpende veranderingen zouden moeten worden doorgevoerd: 

  • Vele bedrijven (degenen met een allesomvattend belang in dierproeven) verliezen in dat geval hun bestaansrecht en dienen vervangen te worden. 
  • Vele wetenschappers, die hun leven lang niets anders hebben gedaan dan proefdieronderzoek, moeten omgeschoold worden. 
  • Opleidingen in de biomedische wetenschappen, die nu nog voor het grootste gedeelte toegespitst zijn op dierexperimenteel onderzoek dienen hervormd te worden. Dat betekent concreet dat studenten geneeskunde en life sciences moeten worden klaargestoomd om te werken met betrouwbare dierproefvrije onderzoeksmethoden, in plaats van om 'met proefdieren te werken', zoals nu gebeurt. 
  • Onderzoeksgeld (fondsen) ten behoeve van fundamenteel dierproefonderzoek aan universiteiten en medische centra zal moeten worden ingetrokken ten gunste van financiële steun voor dierproefvrij onderzoek, hetgeen vergt dat deze instituten over voldoende deskundigheid beschikken.  
  • Wetgeving zal aangepast moeten worden en zich moeten richten op het verbieden van onbetrouwbaar proefdieronderzoek in plaats van het verplichten ervan.
     

Al deze zaken zorgen ervoor dat ondernemingen en individuele onderzoekers die dierproeven doen niet bepaald welwillend staan tegenover verandering.  

Zoals het financiële succes van de genoemde industrieën bewijst zijn de hogere kosten van proefdieronderzoek niet per definitie een knelpunt. Men heeft namelijk, sinds jaar en dag, de oplossing om dit probleem het hoofd te bieden en het zelfs om te vormen tot een mogelijkheid om de winst verder uit te breiden. Zo worden in de farmaceutische industrie de (extra) kosten verhaald op de consument terwijl de astronomische prijzen van medicijnen worden verdedigd onder het mom dat '(levens)reddende producten best wat mogen kosten'. Dit is één van de voornaamste redenen dat zorgpremies torenhoog zijn en verder blijven stijgen. Duurdere producten betekenen verder hogere winstmarges voor farmaceutische bedrijven. Ook in de andere industrieën worden de extra kosten ingecalculeerd en onder het mom van 'veiligheid' doorberekend aan de afnemer of particuliere eindgebruiker. Zolang dierproeven uiterst winstgevend zijn, zullen velen die er hun voordeel mee halen zich blijven verzetten tegen een verbod op het gebruik van proefdieren in onderzoek. 
 

2) Aanzien, status en carrière 

Binnen de biomedische en wetenschappelijke wereld heerst bovenal een klimaat waarbij onderzoekers worden beoordeeld op het publiceren van rapporten en verslagen en de mate waarin ze worden geciteerd door collega's ('publish or perish'). Het aantal publicaties, referenties en vermeldingen in prominente wetenschappelijke bladen bepalen grotendeels de 'naam' en daarmee vaak ook de carrièrekansen van een onderzoeker. De status (het aanzien) die hieraan ontleend kan worden vormt een belangrijke drijfveer voor menig wetenschapper. Met betrekking tot de voortzetting van dierproeven zijn deze factoren op twee manieren relevant. 

Ten eerste zijn onderzoeken op proefdieren makkelijk(er) en snel(ler) te publiceren. Dit komt enerzijds vanwege de gerespecteerde plaats die proefdieronderzoek inneemt binnen de moderne (biomedische) wetenschap. Anderzijds, zoals eerder besproken, stelt het flexibele karakter van proefdieronderzoek wetenschappers in staat om relatief snel een doel te stellen, onderzoek te verrichten en conclusies te trekken. De flexibiliteit wordt bepaald doordat dierproefnemers vele parameters kunnen instellen waarmee ze het onderzoek een bepaalde richting in kunnen sturen en zodoende meer controle houden over uitkomsten. Een zorgvuldige selectie van een specifiek 'diermodel', doorgaans aan de hand van reeds beschikbare kennis over tal van diersoorten, kan praktisch alles 'bewijzen' over bijvoorbeeld een experimenteel geneesmiddel, of het nu gaat om veiligheid of effectiviteit. Men heeft niet de obligatie om in deze fase ook maar enigszins iets te 'bewijzen' over de (te verwachte) effecten op de mens, doordat ook de wetgeving ten onrechte aanneemt dat resultaten verkregen uit diermodellen te extrapoleren zijn naar de menselijke situatie en daarmee enige wetenschappelijke voorspellingswaarde hebben. Zo kunnen onderzoekers sneller en eenvoudiger een rapport opleveren met, wat binnen de huidige mentaliteit in de medische wetenschappelijke wereld al snel gezien wordt als, een 'interessante conclusie'. Je zou kunnen zeggen dat gemakzucht dus een voorname rol speelt bij de keuze voor dierproefonderzoek; immers kost het veel meer toewijding, geduld en specifieke vaardigheden om complexe mechanismen en ziektebeelden in het menselijke lichaam te bestuderen.  

Het tweede punt heeft te maken met geloofwaardigheid, eer en het in de waagschaal stellen van hun opgebouwde 'staat van dienst'. Onderzoekers die jarenlang carrière gemaakt hebben en hun geld hebben verdiend met dierexperimenten, zullen niet willen toegeven dat proefdieronderzoek onbetrouwbaar is en buitengewoon misleidend kan zijn vanwege de doodeenvoudige reden dat ze hiermee hun wetenschappelijke integriteit en mogelijk hun verdere carrière op het spel zetten. Daardoor heerst er nog altijd een cultuur van ontkenning binnen de (medisch) wetenschappelijke wereld. Sterker nog, veel is er aan gelegen om het nut, of zelfs de noodzaak, van dierproeven, tegen beter weten in, uit te dragen. Niet alleen conditioneert men zichzelf en elkaar hiermee, ook de politiek, de media, patiëntenorganisaties, liefdadigheidsinstellingen en het grote publiek worden op deze manier beïnvloed en feitelijk voorgelogen.

Je kunt dus stellen dat de belangen bij en de afhankelijkheid van dierproeven er mede voor zorgen dat dierproeven door blijven gaan. In dat opzicht is proefdieronderzoek 'self-perpetuating' (zichzelf in stand houdend). Tegen de heersende orde ingaan druist doorgaans in tegen de aard van onderzoekers, te meer daar er vaak meer mee te verliezen valt dan mee te winnen. Gelukkig komen er geleidelijk aan wel meer kritische geluiden vanuit de medische en wetenschappelijke wereld zelf. Voornamelijk van mensen die zich nooit beroepsmatig hebben bezondigd aan proefdieronderzoek, maar ook van ex-dierproefnemers die hun eigen belangen wegcijferen in het belang van een hoger doel, namelijk het ontmaskeren van vivisectie als onwetenschappelijk, onbetrouwbaar en potentieel gevaarlijk onderzoek. Individuele onderzoekers en deskundigen, vaak verenigd in anti-vivisectie organisaties, laten meer en meer hun stem horen en mengen zich in het oplaaiende publieke debat rondom (de wetenschappelijke kant van) dierproeven. 
 

3) Gewoonte / Traditie 

De historie van experimenten op proefdieren gaat ver terug in de geschiedenis. De oorsprong van vivisectie is te vinden in de 2e eeuw na Christus. De Griekse arts Claudius Galenus (Galen) experimenteerde toen naar hartenlust op onder meer apen en varkens en dacht dat zijn bevindingen over de anatomie van andere diersoorten ook op mensen van toepassing waren. Eeuwenlang, tot aan de tijd van de Renaissance, bleven zijn opvattingen onbetwist onder medische geleerden; vivisectie werd in deze tijd sterk bekritiseerd en de focus verschoof onder meer naar het bestuderen van overleden menselijke patiënten (autopsies). De leer van Galen gold niet langer meer als absolute autoriteit. In de 19e eeuw daarentegen werd de grondslag gelegd voor het grootschalige en systematische dierexperimenteel onderzoek zoals dat tot op de dag van vandaag in laboratoria plaatsvindt. Medisch onderzoek richtte zich vanaf die periode hoofdzakelijk op het kunstmatig simuleren van ziektebeelden in 'diermodellen', middels het reproduceren van de symptomen. De historie van vivisectie wijst uit dat een dominerende theorie, waarvan inmiddels bewezen is dat deze vals en onwetenschappelijk is, lange tijd kan overleven en vrijwel unaniem voor waarheid wordt aangezien. Dierexperimenten staan inmiddels (opnieuw) alweer zo'n 150 jaar in het middelpunt van de (biomedische) wetenschap; een groot deel van het systeem is er dan ook op gebaseerd. Doordat vivisectie zich zo diep heeft geworteld en geldt als gangbare onderzoeksmethode worden de schrijnende wetenschappelijke tekortkomingen ervan minder gemakkelijk benoemd door wetenschappers. Dierproeven zijn geleidelijk aan steeds meer aanvaard als 'vanzelfsprekend' onderdeel in het werk van onderzoekers. Doordat niet van wetenschappers verwacht wordt dat zij de validiteit van proefdieronderzoek in twijfel trekken, wordt het steeds meer een uiting van gewoonte en traditie. Het is voornamelijk druk van buitenaf geweest die ervoor gezorgd heeft dat dierproeven nu weer ter discussie worden gesteld. Nu de biomedische en academische wereld op scherp is gezet, begint ook intern de discussie vorm te krijgen, waarbij kritische geluiden ten aanzien van vivisectie meer en meer op de voorgrond treden. 
 

4) Wetenschappelijke nieuwsgierigheid 

Op het gebied van fundamenteel onderzoek (ook wel theoriegericht onderzoek) vinden veel experimenten plaats die hoofdzakelijk gedreven zijn door wetenschappelijke curiositeit. Dergelijk onderzoek, dat zich onderscheid van zogenaamde toegepaste wetenschap doordat het geen directe praktische relevantie heeft, vindt vooral plaats buiten de commerciële sector aan universiteiten, medische centra en wetenschappelijke instellingen. Dergelijke instituten hebben de beschikking over onderzoeksfondsen die voor een groot deel direct gelinkt zijn aan dierproeven. Het gaat hier op jaarbasis vaak om enorme bedragen die worden toegekend door met name de overheid. Omdat geen concrete doelstellingen worden gesteld aan fundamenteel onderzoek noch vanuit het uitvoerende instituut noch vanuit de 'opdrachtgever' (of eigenlijk, de geldschieter), komt het geregeld voor dat onderzoekers maar 'iets proberen' met proefdieren om zo hun eigen wetenschappelijke nieuwsgierigheid te beantwoorden. De budgetten zijn immers toch al veiliggesteld. Er zijn legio voorbeelden dat deze onwenselijke situatie leidt tot de meest absurde en zelfs perverse experimenten. De bevolking, die dit soort onderzoek nota bene dikwijls financiert, krijgt zelden of nooit inzicht in de 'resultaten' van dergelijke proeven. Dat komt enerzijds doordat er regelmatig überhaupt geen praktisch nut, laat staan een belangrijke toepassing, voortkomt uit deze experimenten en anderzijds omdat de wetenschappers die op dit terrein actief zijn geen verantwoording verschuldigd zijn. Zo komt belastinggeld vaak rechtstreeks terecht in de zakken van opportunistische 'wetenschappers' en hun management terwijl mensen er niets voor terugzien. 
 

5) Ontwijken van morele kwesties 

De moraliteit van vivisectie wordt zelden of nooit in twijfel getrokken door dierproefnemers, die er doorgaans voor kiezen de methode te verdedigen vanuit een dogmatische benadering in plaats van in te gaan op de onmiskenbare ethische implicaties234. De taal en terminologie van dierproefnemers verraadt de moeite die ze doen om ethische kwesties te vermijden; zo worden dieren niet gedood of vermoord maar 'opgeofferd' en spreekt men liever over 'ongerief' dan over pijn, angst of andersoortig leed. Uitingen, qua geluid, van pijn en ander leed wordt met een deftig woord 'vocaliseren' genoemd. Het gebruik van dergelijke eufemismen is exemplarisch voor degenen die vivisectie proberen te verantwoorden. Jonge wetenschappers leren snel van hun superieuren om een dergelijke mind-set te omarmen. Onderzoek hieromtrent, uitgevoerd door sociologen, wijst uit dat het niet ongebruikelijk is dat nieuwkomers de boodschap -bijna een waarschuwing- krijgen dat het controversieel en zelfs riskant is om als dierproefnemer toe te geven aan ethische zorgen; dit zou immers neigen naar het toegeven dat er moreel gezien iets mis is met dierproeven, waarmee men de 'vijand' in de kaart speelt5. Het is triest dat door een dergelijk klimaat misbruik van 'laboratoriumdieren' zelden of nooit naar buiten wordt gebracht aangezien potentiële klokkenluiders daarmee hun carrière-vooruitzichten op het spel zouden zetten6. Uit verschillende sociologische studies komt verder naar voren dat dierproefnemers pijn bij dieren zelden erkennen of zelfs als zodanig herkennen. Socioloog Marc Philips observeerde hoe dierproefnemers in de Verenigde Staten ratten gebruikten in acute giftigheidstesten (zeer hoge doseringen), kanker opwekten bij knaagdieren, dieren onderwierpen aan ingrijpende chirurgie en talloze andere pijnlijk procedures toepasten. In veel gevallen werden de proefdieren hierbij bovendien niet verdoofd en kregen ze ook geen pijnbestrijding na afloop van de ingreep. In hun rapportage aan de autoriteiten werd echter door geen van alle betrokken dierproefnemers erkend dat de gebruikte dieren substantieel pijn hadden geleden7. Vergelijkbaar onderzoek onder Canadese neurologen, die een jaar lang hadden geëxperimenteerd op proefdieren, wees uit dat deze onderzoekers zodanig gevoelloos waren geworden ten aanzien van leed bij dieren dat ze in de tijd daarna, zelfs lang nadat ze zich weer hadden toegelegd op klinisch onderzoek, niet meer goed in staat waren om lijden bij menselijke patiënten te herkennen8. Dierproefnemers hanteren een zeer oppervlakkige ethiek om hun methoden te verdedigen. Doorgaans wijzen ze enkel op de vermeende voordelen voor mensen en stellen vervolgens dat dit doel de middelen heiligt910. Ze komen echter slechts zeer zelden met wetenschappelijk bewijs om hun claims kracht bij te zetten11.

1  Greek CR, Greek JW. Sacred Cows and Golden Geese. New York, Continuum, 2000.
2  Gluck JP, Kubacki SR. Animals in biomedical research: The undermining effect of the rhetoric of the besieged. Ethics and Behavior 1991; 2: 157-173.
3  Weibers DO, Leaning J, White RG. Animal protection and medical science. The Lancet 1994; 343: 902-904.
4  Kaufman SR. Animal protection and medical science [letter]. The Lancet 1994; 343: 1574.
5  Arluke A. The ethical socialization of animal researchers. Lab Animal June 1994, pp 30-35.
6  Moore EJ. Animal Experiments [letter]. The Lancet 1986; 1 (8487): 975.
7  Phillips M. Savages, drunks and lab animals: The researcher’s perception of pain. Society and Animals 1993; 1: 61-81.
8  Howell DA. Antivivisection [letter]. British Medical Journal 1983; 286 (6381): 1894.
9  Rowan AN. Is justification of animal research necessary? [letter]. Journal of the American Medical Association 1993; 269: 1113-1114.
10  Buyukmihci NC. Consistency in treatment and moral concern. Journal of the American Veterinary Medical Association 1995; 206: 477-480.
11  Archibald K. No need for monkeys [letter]. New Scientist July 1, 2006, p26.