De Belgische
laboratoria die met proefdieren werken, zijn wettelijk verplicht om jaarlijks
hun statistieken over te maken aan de federale overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid,
Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
Momenteel
zijn in België 387 laboratoria erkend om dierproeven uit te voeren.
Het merendeel van deze laboratoria, met name 87 %, zijn universitaire
instellingen.
De farmaceutische industrie blijft evenwel de grootverbruiker van proefdieren.
42 ethische
commissies controleren en beoordelen alle onderzoeksprotocols van deze
laboratoria. In deze commissies zetelen onder meer ook dierenartsen-vertegenwoordigers
van de dienst Dierenwelzijn en CITES van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid
van de Voedselketen en Leefmilieu.
In 2005 werden
vooral knaagdieren en konijnen als proefdier gebruikt (92 %). Daarna volgen
vissen, reptielen en amfibieën (samen 6 %) en pluimvee (2 %). Honden,
katten en apen vertegenwoordigen respectievelijk 0,18 %, 0,01 % en 0,06
% van de gebruikte proefdieren. In vergelijking met het jaar voordien
stijgt het aantal proefdieren in 2005 met 1,44 %. Zo werden in proeven
duidelijk meer vissen, pluimvee en muizen ingezet. Er is ook een stijging
waar te nemen van het aantal gebruikte honden en fretten. Daarentegen
daalt het aantal apen, ratten, andere knaagdieren zoals woestijnratjes
en katten.
57 % van de
dieren werd in 2005 gebruikt in testen voor ontwikkeling en controle van
geneesmiddelen of voor uitrusting gebruikt in de geneeskunde. 29 % werd
gebruikt in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Het gebruik van dieren
in het fundamenteel onderzoek stijgt en in 2005 werd hiervoor het hoogste
aantal ooit gebruikt. Op 9 % van de dieren werden toxicologische testen
of veiligheidsproeven uitgevoerd, 24 % van de dieren werd gebruikt in
kwaliteitstesten.
De cijfers:
